menu_icon

Kerkelijk personeel hoeft niet altijd lid te zijn van de kerk

7 november 2018 Publicaties Voorlichting

In Duitsland moet volgens een vonnis van het Bundesarbeitsgericht van 25 oktober 2018 het Evangelische Werk für Diakonie een schadevergoeding van twee maandsalarissen betalen aan mevrouw Egenberger. De rechtsgrond voor de schadevergoeding is ”Benachteiligung wegen der Religion”, of wel discriminatie op grond van godsdienst.

Deze mevrouw was in 2012 niet uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek voor de functie van projectmedewerker, omdat zij in haar CV vermelde niet godsdienstig te zijn. Als functie-eis was in vacaturetekst opgenomen dat het lidmaatschap was vereist van de Evangelische Kirche of van een andere geloofsgemeenschap waarmee een samenwerkingsverband bestond.

De hoofdtaakstelling van de functie was het maken van een rapport over de toepassing in Duitsland van het Internationaal Verdrag van de Verenigde Naties over de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Daarvoor waren o.a. gesprekken voor nodig met autoriteiten en instellingen.

Verband met Nederland

In ons land is de gelijke behandeling geregeld in de Algemene Wet Gelijke Behandeling en voor arbeidssituaties aanvullend in het BW in de artikelen 7:646-649. Deze wetten geven uitvoering aan Europees recht met name Richtlijn 2000/78/EG. De Duitse wetgeving, maar ook de Nederlandse wetgeving, moet dus worden uitgelegd en toegepast zoals de Europese Richtlijn dat heeft bedoeld.

Het Europese Hof van Justitie (EHvJ) heeft op 17 april 2018 in deze kwestie een richtinggevend arrest gegeven n.a.v. drie prejudiciële vragen van het Bundesarbeitsgericht aan het EHvJ. Daardoor is deze Duitse kwestie ook voor Nederland van belang.

Het EHvJ heeft drie belangrijke richtinggevende beslissingen voor kerken of levensbeschouwelijke organisaties genomen.

Essentie beslissing van het Europese Hof van Justitie

In de eerste beslissing heeft het EHvJ de autonomie van de kerk om geheel zelf te bepalen bij welke functies de eis van kerklidmaatschap gesteld kan worden, om zeep geholpen. En dergelijk eis moet dan worden verstaan als een beroepsvereiste. In Duitsland hadden kerken in de rechtspraak en regelgeving daarin een grote vrijheid ontvangen. Als de kerk op grond van het door hun geloof gedefinieerde gevoel van eigen identiteit de eis van lidmaatschap van de kerk stelt dan had de rechter dat te respecteren.

Het EHvJ stelt daarentegen dat de rechter inhoudelijk en vol mag toetsen of voor een bepaalde functie het wel noodzakelijk is dat betrokkene lid moet zijn van het kerkgenootschap. Een marginale toetsing is hier niet aan de orde.

In de tweede beslissing gaat het EHvJ in op de vraag welke criteria een rol spelen bij het beoordelen van de vraag of aan een bepaalde functie de eis van kerklidmaatschap als beroepsvereiste verbonden kan worden. Dat zijn vier criteria: wezenlijk, legitiem, gerechtvaardigd en evenredig.

Vooropgesteld dat het EHvJ erkent dat kerken en andere organisaties op grond van een levensbeschouwelijke grondslag wel degelijk eisen mogen stellen aan het personeel (bijvoorbeeld lid zijn van de kerk). Er moet dan wel een objectief verifieerbaar en rechtstreeks verband bestaan tussen deze beroepseis en de werkzaamheden. Dat verband kan voortvloeien uit de aard van de functie (bijvoorbeeld verkondigingstaak) maar ook uit de context waarin deze functie uitgeoefend moet worden (bijvoorbeeld vertegenwoordiging naar buiten).

Bij het criterium “wezenlijk” merkt het EHvJ op dat aanhangen van een overtuiging waarop de grondslag van de kerk of organisatie is gebaseerd, noodzakelijk moet zijn voor de beroepsactiviteit als de bevestiging van die grondslag, of wat ook kan, voor de uitoefening van het recht op autonomie van de kerk of organisatie.

Bij het criterium ”legitiem” stelt het EHvJ dat de beroepseis van het aanhangen van een bepaald geloof of overtuiging niet moet dienen om een doel na te streven dat geen verband houdt met die grondslag of met het uitoefenen van recht op autonomie van de kerk of organisatie.

De beroepseis moet als derde criterium ook “gerechtvaardigd” zijn. Dat houdt volgens het EHvJ in dat de rechter in staat moet zijn dit te toetsen. Het houdt verder in dat op de kerk of levensbeschouwelijke organisatie de bewijslast rust om aan te tonen op grond van de feitelijke omstandigheden van het specifieke  geval, dat het vermeende risico van aantasting van de grondslag of het recht op autonomie waarschijnlijk en ernstig is, zodat de invoering van deze beroepseis inderdaad noodzakelijk is.

Het laatste criterium dat het EHvJ noemt is het vereiste van “evenredig”. Bij de rechterlijke beoordeling moet worden nagegaan of deze beroepseis (bijvoorbeeld kerklidmaatschap) passend is en of het niet verder gaat dan nodig  is om het gestelde doel te bereiken. Deze beroepsvereiste moet dus proportioneel zijn.

De laatste beslissing betreft de vraag of een nationale regel buiten toepassing moet blijven als deze in strijd is met het Europese recht. Het duidelijk antwoord van het EHvJ is dat inderdaad nationale regeling dat strijdig is met het EG-recht buiten toepassing moet blijven.

EG-recht is van hogere orde dat het nationale recht van de lidstaten, wat overigens sinds de oprichting van de EG al een duidelijke lijn is.

Het Bundesarbeitsgericht kon op 25 oktober 2018 daarom ook niet anders meer dan het afwijkende Duitse recht terzijde schuiven en hun gelijke behandelingswetgeving toepassen conform deze uitleg van het EG-recht volgens dit arrest van het EHvJ.

Gevolgen

De tijd dat kerken en organisaties op een godsdienstige en levensbeschouwelijke grondslag aan al hun personeel de eis mogen stellen lid te zijn van een kerk of actief deelnemer zijn van een verband welke die levensovertuiging uitdraagt, lijkt met dit arrest van het EHvJ voorbij te zijn.

Er moet per functie gekeken worden hoe de vertaling van de godsdienstige grondslag in de werkzaamheden vorm krijgt. Is dat niet objectief en verifieerbaar aantoonbaar dan is er een probleem.

Voor de kerken zal het voor predikanten, bisschoppen, pastoors en pastorale werkers geen probleem zijn. Maar kerkverbanden houden ook organisaties in stand waar functies bestaan die niet direct te verbinden zijn met de grondslag. Dan wordt het aanzienlijk lastiger voor de kerken om een kerklidmaatschap als beroepseis te stellen.

Verder zijn er onderwijsinstellingen en gezondheidszorginstellingen op een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag. In het licht van deze uitspraak van het Europese Hof van Justitie zou alleen voor kernfuncties de eis gesteld kunnen worden, dat deze zijn gebonden aan de grondslag.

Een voorbeeld ter toelichting.

Stel we nemen als voorbeeld een christelijke zorginstelling. Kernfuncties waaraan de eis gesteld kan worden van een positieve en actieve houding met een christelijke kerk waarmee de zorginstelling zich qua identiteit verwant voelt, kunnen dan bestuurders/directieleden zijn en wellicht de eindverantwoordelijke medici.

Ik vraag me zeer af of deze eis nu ook nog gesteld kan worden aan het verplegend en verzorgend personeel, laat staan het ondersteunend personeel. Een belangrijk punt voor deze overweging zit in de invulling van het criterium “gerechtvaardigd” (r.o 67). Daar wordt bewijslast gelegd bij de organisatie en niet bij de klagende werknemer die zich gediscrimineerd voelt. Voor juristen is dat even wennen, want het is een omkering van de regel: ”wie stelt moet bewijzen”.

De organisatie moet derhalve aantonen  dat het niet stellen van de beroepseis (bijvoorbeeld lidmaatschap kerk) een ernstig en waarschijnlijk risico is voor de verwezenlijking van de grondslag en de autonomie van de organisatie zelf. De wijze van toetsing is zeer concreet op grond van alle feiten, waarbij er een verband gelegd wordt met de feitelijke vervulling van de werkzaamheden en de grondslag. Dat is een behoorlijk zware bewijslast voor de organisaties.

Een aanbeveling

Organisaties op godsdienstige grondslag dienen een beleid te ontwikkelen welke kernfuncties zij hebben en op welke wijze zij die willen binden aan de grondslag. Voor deze kernfuncties dienen ze dan te beschrijven waarom er een rechtstreeks, objectief en verifieerbaar verband bestaat tussen de werkzaamheden en de binding aan de grondslag.

De roostermaker op een gereformeerde school kan op grond van deze rechtspraak moslima zijn. Als zij maar loyaal is aan de doelstellingen van de school en de grondslag respecteert. Die eis mag aan haar gesteld worden op grond van goed werknemerschap.

Een kwestie wordt dan of deze medewerkster een hoofddoekje dragen mag. Dat levert weer nieuwe boeiende rechtspraak op.

 

Mr. Bert Tol, 7 november 2018

Arbeidsrechtjurist te Zwolle

 

Bureau Arbeidsrecht

tel. 038-4535025   info@berttol.nl    www.berttol.nl

bracket

Op de hoogte blijven van de nieuwste wetten en jurisprudentie en praktisch tips ontvangen? Laat hiernaast je e-mailadres achter en ontvang 1 x per kwartaal onze Nieuwsbrief. Speciaal voor ondernemers, werkgevers en HR-managers.